De ondergang van het oude Perzië

.

door Chris Veldhuis

.

Een nieuw tijdperk is aangebroken. Het is 1848 en Sjah Naser bestijgt de troon van Perzië. Het gaat niet goed met het land: het is praktisch bankroet en de mensen zijn arm, symbolen van vergane glorie.

Het land blijft achter bij de snelle industriële ontwikkeling van het westen en de autonomie is in gevaar. Perzië dreigt een speelbal te worden van de Britten, de Russen en de Fransen. Grootvizier Mirza Kabir is de enige hoop. Hij ziet in dat er gemoderniseerd dient te worden en werkt in het geheim aan een grondwet.

"Het risico van de gekozen verhaaltrant is dat Abdolah een eenzijdige held nodig heeft..."

De Sjah is zich bewust van de traditie waar hij uit voortkomt, hij is trots en probeert stand te houden in deze eeuwenoude traditie van harems, buitensporige luxe en absolute macht. In De Koning schetst Kader Abdolah het conflict tussen modernisering en traditie in het Perzië van de negentiende eeuw.

In de korte inleiding op het verhaal schrijft Abdolah over de Perzische vertellers die verhaalden over de oude koningen uit de gloriedagen van het rijk. ‘De vertellers speelden met de tijd en lieten hun fantasie de vrije loop om de geschiedenis krachtig en kleurrijk te kunnen weergeven, lieten hier en daar wat weg en voegden er soms iets aan toe.’ “

Het is duidelijk dat Abdolah deze verteltraditie tracht voort te zetten. Hij gebruikt de vrijheden van de fictieschrijver en kleurt de geschiedenis in. Zijn verhaal geeft de grote mannen een gezicht en maakt ze tastbaar.

.

De schrijver werkt de karakters zorgvuldig uit. Zo wordt de Sjah een aandoenlijk figuur. Hij laat zijn macht graag gelden en wenst een daadkrachtig vorst te zijn. In het verloop van het verhaal staat hij steeds in de schaduw van zijn grote voorvaderen en dat zorgt voor een enorme druk. Zijn kanon, een geschenk van de Fransen, sleept de Sjah overal mee naartoe met kinderlijke trots: ‘Het wapen stond altijd ingevet gereed in het Gholestanpaleis. Als hij het paleis verliet, nam hij zijn kanon met zich mee.’ De Sjah heeft het beste voor met zijn land en slaat hard toe wanneer iemand zijn macht ondermijnt.

 

Het risico van de gekozen verhaaltrant is dat Abdolah een eenzijdige held nodig heeft. Die vindt hij in grootvizier Mirza Kabir, geen onbelangrijk personage. Deze mist de diepgang die de koning wel heeft. Zonder werkelijke twijfel offert hij zich op in het landsbelang, hij houdt van zijn vrouw, maakt geen slechte keuzes en zijn talenten zijn zo uitvergroot dat zelfs de koning jaloers is. De grootvizier mist menselijkheid. Dat maakt identificatie moeilijk, waardoor zijn onrechtvaardige doodsvonnis mij niet raakte.

Over het algemeen beschrijft Abdolah de gebeurtenissen in een fijne, heldere taal. Zijn taalgebruik is eenvoudig, maar dat doet niets af aan de schoonheid ervan. Daarom is het des te spijtiger dat de schrijver soms vervalt in lelijke beeldspraak. Zo komt hij met de ellendige en geforceerd literair aandoende zinsnede ‘je kon het woord “ongelooflijk” van zijn lippen lezen’ en overdrijft hij een romantische scène met de volgende zin; ‘(…) “u bent lief”, zei het meisje. Met deze onschuldige woordjes raakte zij het hart van de Sjah.’

.

Met De Koning heeft Abdolah een knappe historische roman geschreven. De koning en zijn gezelschap worden mensen. Abdolah houdt zich aan de belofte van de inleiding en kleurt de geschiedenis in. Ondanks enkele zwakheden is De Koning een mooi, onderhoudend en prettig leesbaar boek.

.

This entry was posted in Nieuws en Artikelen and tagged , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply